Nederlands
Downloaden
Welke taal kies je?

Zweeds is makkelijker dan je denkt als je Engels en Duits kent

Zweeds klinkt voor veel Nederlanders als een exotische taal: mooi, zangerig, maar ver weg. Toch is het voor jou een van de meest haalbare talen die er zijn. Spreek je Nederlands en ken je wat Engels en Duits, dan heb je eigenlijk al een groot deel van het fundament in huis.

In dit artikel laten we zien waarom, met concrete voorbeelden. En we zijn ook eerlijk over wat wél lastig is.

Eén familie

Nederlands, Engels, Duits en Zweeds zijn allemaal Germaanse talen. Zweeds hoort bij de Noord-Germaanse tak, samen met Noors, Deens, IJslands en Faeröers. Dat betekent dat ze een gemeenschappelijke voorouder delen, en dat zie je terug in woorden en zinsbouw.

Woorden die je al kent

Kijk eens naar dit rijtje:

ZweedsNederlandsEngelsDuits
hushuishouseHaus
kommakomencomekommen
drickadrinkendrinktrinken
fönstervenster, raamwindowFenster
kyrkakerkchurchKirche
vetawetenknowwissen
bokboekbookBuch
vinterwinterwinterWinter
armarmarmArm
nynieuwnewneu

Niet elk woord is herkenbaar, maar een flink deel van de basiswoordenschat geeft je een aanknopingspunt. Soms herken je een woord via het Nederlands, soms via het Engels en soms via het Duits. Met alle drie in je hoofd heb je een flinke voorsprong.

Een paar leuke: barn (kind) kennen Schotten als bairn, en fika (koffiepauze) leer je in Zweden als eerste.

Grammatica die meevalt

Werkwoorden vervoegen niet per persoon

Dit is misschien wel het grootste cadeau van het Zweeds. In het Nederlands zeg je ik ben, jij bent, hij is. In het Duits ich bin, du bist, er ist. In het Zweeds:

  • jag är - ik ben
  • du är - jij bent
  • hon är - zij is
  • vi är - wij zijn
  • de är - zij zijn

Eén vorm voor iedereen. Dat geldt voor alle werkwoorden: jag talar, du talar, vi talar (ik spreek, jij spreekt, wij spreken).

Twee woordgeslachten, net als de/het

Het Zweeds heeft twee geslachten: en-woorden en ett-woorden. Dat werkt ongeveer zoals ons de/het: en bil (een auto), ett hus (een huis). Je moet per woord leren welk lidwoord erbij hoort, net als een buitenlander dat bij ons moet doen. Maar voor jou is het idee niet nieuw, en het is heel wat minder dan de drie geslachten in het Duits.

Geen naamvallen zoals in het Duits

Waar je in het Duits der, den, dem en des moet kiezen, heeft het Zweeds bij zelfstandige naamwoorden geen naamvallen meer, behalve een bezits-s: Annas bok (Anna's boek). Alleen bij persoonlijke voornaamwoorden zie je nog verschil, net als in het Nederlands en het Engels (jag / mig, ik / mij).

Woordvolgorde die je kent

Net als het Nederlands en het Duits zet het Zweeds het werkwoord in een hoofdzin op de tweede plaats:

  • Idag dricker jag kaffe. - Vandaag drink ik koffie.

Dat is voor Engelstaligen lastig, voor jou volkomen logisch.

Wat wél nieuw is

Eerlijk is eerlijk: Zweeds is niet alleen maar makkelijk.

Het lidwoord achter het woord

"Het huis" is in het Zweeds huset. "De auto" is bilen. Het bepaalde lidwoord wordt aan het eind van het woord geplakt. Dat is even wennen, maar na een paar weken gaat het vanzelf.

Meervoudsvormen

Er zijn verschillende manieren om een meervoud te maken: bilar (auto's), flickor (meisjes), hus (huizen, ongewijzigd). Die leer je het best per woord.

De uitspraak

Dit is voor de meeste Nederlanders het lastigste deel. Zweeds heeft klinkers die wij niet hebben, de k klinkt voor bepaalde klinkers als "sj", en er is een woordmelodie die soms betekenis draagt. Het klassieke voorbeeld is anden: met de ene toon betekent het "de eend", met de andere "de geest". In de praktijk maakt de context meestal duidelijk wat je bedoelt, maar wie natuurlijk wil klinken, moet veel luisteren.

Valse vrienden

Met drie verwante talen in je hoofd liggen valse vrienden op de loer:

  • glad betekent "blij"
  • springa betekent "rennen"
  • semester betekent "vakantie"
  • rolig betekent "grappig, leuk"
  • bra betekent "goed"

Hoe lang duurt het?

Daar is geen precies antwoord op, en het hangt sterk af van hoe vaak je oefent. Maar door de herkenbare woorden en de eenvoudige werkwoorden merken veel Nederlanders dat ze na een paar maanden regelmatig oefenen al eenvoudige teksten kunnen lezen. Spreken en verstaan kost meer tijd, vooral omdat je de taal in Nederland weinig hoort. Zweedse series, podcasts en muziek helpen daarbij enorm.

Zo begin je slim

  1. Gebruik wat je kent. Zie je een nieuw woord, vraag je dan af of het op een Nederlands, Engels of Duits woord lijkt.
  2. Leer en en ett meteen mee. Leer niet bil, maar en bil.
  3. Luister vanaf dag één. De uitspraak leer je niet uit een boek.
  4. Oefen kort en dagelijks. Vijf tot tien minuten per dag is genoeg om vooruit te komen.

In Parlumi leer je Zweeds vanuit het Nederlands, met uitleg die rekening houdt met wat je al weet, en met luisteroefeningen op normale en langzame snelheid. Een goede manier om te ontdekken hoe dichtbij die "verre" taal eigenlijk ligt.

← Alle artikelen bekijken