Nederlands
Downloaden
Taalniveaus

Taalniveaus A1 tot C2 uitgelegd: wat kun je op elk niveau?

Op een vacature staat "Engels op C1-niveau", je inburgeringscursus heeft het over A2 of B1 en een taalapp belooft dat je "naar B2" gaat. Maar wat betekenen die letters en cijfers eigenlijk? Ze komen uit het Europees Referentiekader voor Talen, in het Engels Common European Framework of Reference, afgekort CEFR (in het Nederlands vaak ERK).

Het kader beschrijft zes niveaus, van beginner tot bijna-moedertaalspreker. Het mooie is dat het voor elke taal hetzelfde werkt: B1 Spaans en B1 Zweeds betekenen hetzelfde soort vaardigheid.

De zes niveaus in één oogopslag

NiveauNaamIn het kort
A1BeginnerJezelf voorstellen, simpele vragen
A2BasisDagelijkse situaties, korte gesprekjes
B1DrempelZelfstandig redden, over ervaringen praten
B2GevorderdVlot meepraten, ook over abstracte onderwerpen
C1BekwaamVloeiend en genuanceerd, ook op het werk
C2MeesterVrijwel alles begrijpen en precies uitdrukken

A is de basisgebruiker, B de zelfstandige gebruiker en C de vaardige gebruiker.

A1: de eerste stappen

Op A1 begrijp je en gebruik je vertrouwde, alledaagse uitdrukkingen. Je kunt jezelf voorstellen, zeggen waar je woont en simpele vragen stellen en beantwoorden, zolang de ander langzaam en duidelijk praat en bereid is te helpen.

Voorbeeld: in een café een koffie bestellen, je naam spellen, vragen hoe laat het is.

A2: overleven in het dagelijks leven

Op A2 kun je korte gesprekken voeren over bekende onderwerpen: je werk, je familie, boodschappen, de weg. Je begrijpt de hoofdzaak van korte, duidelijke berichten en aankondigingen.

Voorbeeld: een treinkaartje kopen en vragen of je moet overstappen, een korte e-mail schrijven om een afspraak te verzetten.

B1: je redt je zelfstandig

B1 is voor veel mensen het eerste grote doel. Je kunt je redden in de meeste situaties op reis of in het land zelf. Je kunt vertellen over ervaringen, plannen en dromen, en kort je mening geven en uitleggen.

Voorbeeld: bij de huisarts uitleggen wat er aan de hand is, een simpele brief schrijven aan de verhuurder, een serie volgen met ondertitels in de taal zelf.

B2: je praat echt mee

Op B2 begrijp je de hoofdlijnen van complexe teksten, ook over abstracte onderwerpen. Je kunt vlot en spontaan praten met moedertaalsprekers, zonder dat het voor een van beiden vermoeiend wordt.

Voorbeeld: een vergadering in de taal volgen en meedoen, een krantenartikel lezen, een discussie voeren over het nieuws.

C1: vloeiend en genuanceerd

Op C1 begrijp je lange, veeleisende teksten en vang je ook impliciete betekenissen op. Je drukt je vloeiend uit zonder lang naar woorden te zoeken en past je taal aan de situatie aan: formeel, informeel, zakelijk.

Voorbeeld: een presentatie geven voor klanten, een rapport schrijven, grapjes en woordspelingen begrijpen.

C2: (bijna) alles

C2 is het hoogste niveau. Je begrijpt vrijwel alles wat je hoort of leest en kunt informatie uit verschillende bronnen samenvatten. Je drukt je heel precies uit, ook in complexe situaties. Veel moedertaalsprekers zitten in de praktijk niet op elk onderdeel op C2.

Hoe lang duurt elk niveau?

Dit is de vraag die iedereen stelt, en het eerlijke antwoord is: dat hangt ervan af. Een paar factoren die veel uitmaken:

  • Hoe verwant de taal is aan wat je al spreekt. Voor Nederlanders zijn Engels, Duits en Zweeds dichterbij dan bijvoorbeeld Portugees.
  • Hoe vaak en hoe regelmatig je oefent. Elke dag een kwartier werkt meestal beter dan eens per week twee uur.
  • Hoeveel je de taal om je heen hoort. Daarom kunnen de meeste Nederlanders al Engels voordat ze er bewust mee bezig zijn.
  • Of je al eerder een vreemde taal hebt geleerd. Elke volgende taal gaat vaak makkelijker.

Vaak genoemde schattingen voor begeleide studietijd liggen ongeveer zo, cumulatief vanaf nul:

NiveauOngeveer (uren)
A190-100
A2180-200
B1350-400
B2500-600
C1700-800
C21.000-1.200

Zie dit als grove richtlijn, niet als belofte. Voor een verwante taal kan het sneller gaan, en de stap van B2 naar C1 voelt voor veel mensen langer dan de getallen doen vermoeden: je leert dan vooral nuance, en die zie je minder snel groeien.

Hoe weet je op welk niveau je zit?

  • Zelfbeoordeling. Het Referentiekader heeft "ik kan"-beschrijvingen per vaardigheid. Lees ze en wees eerlijk tegen jezelf.
  • Een niveautest. Veel apps en taalscholen hebben een plaatsingstest. Parlumi heeft bijvoorbeeld een niveautest aan het begin en een examen aan het einde van elk niveau, zodat je weet waar je staat.
  • Een officieel examen. Voor werk, studie of verblijfsvergunningen heb je soms een erkend certificaat nodig. Welk examen en welk niveau precies gevraagd wordt, verschilt per land en instantie; kijk daarvoor altijd op de officiële website.

Niet alle vaardigheden gaan even snel

Het kader onderscheidt luisteren, lezen, spreken, schrijven en gesprekken voeren. Je kunt prima op B2 lezen en op B1 spreken. Bij Nederlanders die Engels leren zie je dat vaak: het luisteren is door films en series al hoog, het schrijven blijft wat achter. Dat is normaal en zegt niets over je talent. Weet je waar je zwakke plek zit, dan weet je ook waar je je tijd het beste in kunt steken.

← Alle artikelen bekijken